Bronnen en connectoren
Een bron is een systeem waar een agent mee werkt: een database, een rapportageomgeving, een ETL-tool of een documentopslag. Elke bron hoort bij één klant, heeft een soort en een omgeving (bijvoorbeeld productie of test), en een eigen stand voor datatoegang.
Databases (native)
Voor deze databases heeft het platform eigen, vaste querysjablonen. Een agent krijgt metadata, tellingen en statistieken zonder dat er vrije SQL naar de bron gaat.
| Database | Wat agents kunnen |
|---|---|
| SQL Server / Azure SQL | Metadata, kwaliteit, performance, ETL-logprofielen, verificatiesandbox, vrije SQL als de bron is vrijgegeven |
| PostgreSQL | Metadata, kwaliteit en een deel van de performancetools |
| SAP HANA Cloud | Metadata en kwaliteit |
Connectoren
Connectoren koppelen systemen die geen database zijn. Ze lopen via het platform: de agent krijgt nooit zelf een wachtwoord of token van zo'n systeem.
| Categorie | Connectoren |
|---|---|
| Rapportage | Power BI, SAP Analytics Cloud |
| Dataplatform | Microsoft Fabric, Databricks, SAP Datasphere |
| ETL en transformatie | Azure Data Factory, dbt Cloud, Matillion |
| Documenten | SharePoint, OneDrive, Google Drive |
| Ontwikkeling | Azure DevOps, GitLab |
| Eigen | Elke MCP-server van de klant, zie eigen MCP-servers |
Bij Power BI kan een agent semantische modellen lezen en definities bewerken. Of een connector mag schrijven, stel je per bron in. Een schrijfactie loopt altijd via een voorstel dat een mens goedkeurt.
Een bron toevoegen
- Klant kiezen. Een bron hoort altijd bij één klant.
- Soort en omgeving. Bijvoorbeeld SQL Server, omgeving productie.
- Verbinding. Server, database, login. Het wachtwoord wordt per bron versleuteld opgeslagen. De app toont daarna alleen een vingerafdruk en het moment waarop het is ingesteld.
- Verbindingstest. Het platform probeert te verbinden en zegt wat er misgaat.
- Datatoegang. Je kiest de stand: alleen metrics, versleutelde waarden of open. Zie datatoegang.
- Label. Een korte naam die agents te zien krijgen. Gebruik daarin nooit de naam van de klant.
Een agent ziet per bron alleen een id, de soort, de omgeving en het label. De technische naam en de sleutel van de bron krijgt hij niet te zien.
Bronnen per opdracht
Een mens bepaalt welke bronnen bij een opdracht horen. Binnen die set kiest de agent zelf waarop hij werkt. Een subtaak kan geen bron noemen die buiten de set valt. Zo werkt een agent die een vraag over financiën beantwoordt niet per ongeluk op de HR-database.
Een bron wijzigen of uitzetten
Verbinding, label en stand kun je wijzigen. De sleutel van een bron niet: die staat in de spelregels en een hernoeming zou toestemmingen stilletjes verplaatsen. Wil je een bron niet meer gebruiken, zet hem dan uit. Verwijderen kan pas als geen opdracht, dataset of spelregelversie er nog naar verwijst.
Voorbeeld
Een retailer koppelt drie bronnen: het Azure SQL-warehouse (productie, stand versleutelde waarden), de Power BI-werkruimte met het verkoopmodel (alleen lezen) en de Azure DevOps-repository met de ETL-code. Een opdracht "waarom wijkt de omzet in het rapport af van het warehouse?" krijgt alle drie. De agent vergelijkt de DAX-definitie met de SQL-view, vindt een filter op retouren dat alleen in het model zit, en stelt een wijziging voor in de repository. Een mens keurt goed.